2 oktober 1914 : Raoul Snoeck vermeldt in zijn dagboek :
gewekt om vier uur ’s morgens. We rukken op en steken in Duffel de spoorwegbrug over (Netebrug). Om zes uur verspreiden we ons over velden en bosjes op gevaarlijk terrein. De Duitsers bezetten de spoorweg. Het gevecht barst in alle hevigheid los. Stoutmoedige en geweldige aanvallen worden afgeslagen. De hele dag wordt een levendig artillerieduel. We bieden verbeten weerstand aan de aanvallers. het 2e en 22e linie leveren mooi werk. We voeren drie opeenvolgende aanvallen uit met de bajonet op het geweer. De Duitsers trekken zich terug, vluchten en laten geweren en gordels achter. We zijn blij als gekken. Op dat ogenblik komt een kogelbui neer op onze rechterflank. Luitenant Vanderhaeghen is gewond en de tweede luitenant valt op zijn beurt. Het 3e en 23e linie trekken zich vechtend terug. We hebben misschien te vroeg gejuicht. Sommigen beweren dat de twee genoemde regimenten dienst weigeren. We zijn omsingeld. (…)
Na een hevig gevecht slaagt Raoul Snoeck erin om met zijn kameraden aan de omsingeling te ontkomen.
We bezetten de Netebrug tot ’s avonds en zoeken een onderkomen in Kontich Daar vinden we de brave vrouw terug bij wie we een maand geleden kip aten. Ze is gelukkig om ons terug te zien maar deze keer vinden we geen gevogelte meer. Helaas ! Ook zij maakt zich klaar om te vertrekken.
bron : Raoul Snoeck, in de modderbrij van de Ijzervallei, vertaald uit het Frans door André Gysel, Snoeck-Ducaju
